ECLI:NL:RVS:2020:309
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
De vreemdeling is bij besluit van 31 augustus 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 14 januari 2020 het beroep tegen het voortduren van deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring niet-ontvankelijk is, omdat de wet (artikel 84 Vw Pro 2000) geen hoger beroep tegen dit besluit toestaat. Alleen indien sprake zou zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces zou het verbod op hoger beroep doorbroken kunnen worden, hetgeen hier niet aan de orde is.
De Raad van State verklaart zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door lid van de enkelvoudige kamer N. Verheij op 29 januari 2020.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring.