ECLI:NL:RVS:2020:3087
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- C.M. Wissels
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatigheid gegevensverwerking raamprostituees gemeente Utrecht
De burgemeester van Utrecht had bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) een melding gedaan voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens van raamprostituees, gekoppeld aan een gemeentelijk registratie- en vergunningstelsel. De AP oordeelde dat deze gegevensverwerking onrechtmatig was omdat artikel 151a van de Gemeentewet geen toereikende wettelijke grondslag biedt voor het verwerken van bijzondere persoonsgegevens zoals vereist onder artikel 23 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).
De rechtbank verklaarde het beroep van de burgemeester ongegrond en bevestigde het besluit van de AP. De burgemeester stelde in hoger beroep dat artikel 151a Gemeentewet wel een voldoende wettelijke basis vormt, mede gezien het vergunningenstelsel en het belang van het voorkomen van mensenhandel en uitbuiting. Ook voerde hij aan dat het wetsvoorstel 'Wet regulering sekswerk' een toekomstige wettelijke grondslag zal bieden.
De Raad van State oordeelde dat een Algemene plaatselijke verordening geen formele wet is en dat artikel 151a Gemeentewet geen expliciete bevoegdheid geeft tot verwerking van bijzondere persoonsgegevens. De AP heeft terecht geweigerd de ontheffing te verlenen, mede omdat er geen redelijke termijn is waarin wetgeving op komst is die de verwerking mogelijk maakt. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat artikel 151a Gemeentewet geen wettelijke grondslag biedt voor verwerking van bijzondere persoonsgegevens van raamprostituees en verklaart het hoger beroep ongegrond.