ECLI:NL:RVS:2020:3061
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen niet-in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 26 augustus 2020 niet in behandeling is genomen. De rechtbank Den Haag heeft op 17 september 2020 het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard zonder zitting te houden. Vervolgens werd het verzet van de vreemdeling tegen deze uitspraak op 24 november 2020 eveneens ongegrond verklaard.
De vreemdeling heeft tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen uitspraken van de rechtbank in deze procedure geen hoger beroep openstaat. Het hoger beroep kan slechts worden doorbroken indien sprake is van een oneerlijk proces, hetgeen hier niet aan de orde is.
Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en is de staatssecretaris niet gehouden proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door lid van de enkelvoudige kamer N. Verheij op 23 december 2020.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het besluit tot niet in behandeling nemen van de aanvraag verblijfsvergunning asiel.