ECLI:NL:RVS:2020:3042
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 14 mei 2018 de aanvragen van vijf Eritrese vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdelingen stelden beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, omdat zij zich baseerde op een eerdere uitspraak in de zaak van de ouders van de vreemdelingen, die toen ook een motiveringsgebrek had.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de eerdere uitspraak in de zaak van de ouders was vernietigd, waardoor de grondslag voor afwijzing van de mvv-aanvragen van de vreemdelingen nog steeds aanwezig was. Daarom kon het oordeel van de rechtbank niet in stand blijven en werd de uitspraak vernietigd.
De Afdeling beoordeelde vervolgens het beroep tegen het besluit van 3 januari 2019, waarin het bezwaar van de vreemdelingen was afgewezen. Hoewel de vreemdelingen stelden dat het vertrouwensbeginsel was geschonden en dat zij ten onrechte niet waren gehoord, faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel. Wel was het horen in bezwaar ten onrechte achterwege gelaten, waardoor dat deel van het beroep gegrond werd verklaard.
Uiteindelijk vernietigde de Afdeling het besluit van 3 januari 2019, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand uit oogpunt van definitieve geschilbeslechting. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank en het bezwaarbesluit zijn vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het bezwaarbesluit blijven in stand.