ECLI:NL:RVS:2020:3028
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgeldigheid elektronische handtekening en beoordeling inbewaringstelling vreemdeling
Bij besluit van 15 september 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel gegrond verklaard, met name vanwege twijfels over de geldigheid van de elektronische handtekening onder het besluit.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte de geldigheid van de elektronische handtekening niet had gevalideerd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de elektronische handtekening wel degelijk rechtsgeldig was, mede doordat deze via meerdere methoden gevalideerd kan worden, waaronder via medewerkers van de AVIM en de Justitiële Informatiedienst.
De Afdeling beoordeelde vervolgens de overige beroepsgronden van de vreemdeling, waaronder de noodzaak en duur van de ophouding, de gronden voor inbewaringstelling en het ontbreken van een lichter middel. Deze gronden faalden, omdat de staatssecretaris voldoende onderbouwing en motivering had gegeven, en de vreemdeling onvoldoende feiten had aangevoerd om de maatregel te weerleggen.
Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.