ECLI:NL:RVS:2020:3001
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking wapenverlof na incident met verwarde indruk en vrees voor misbruik
Op 28 april 2018 bezocht de politie de woning van appellant na een 112-melding door zijn vrouw, die overstuur was na een woordenwisseling. Appellant maakte een verwarde indruk en sprak cryptisch, wat leidde tot vrees voor misbruik van het wapenverlof door de korpschef, die het verlof introk. De minister handhaafde dit besluit en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het politieverslag onjuist was en dat de situatie voortkwam uit familiale conflicten en gezondheidsproblemen, zonder agressief gedrag. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de waarnemingen van de politie en de eigen verklaring van appellant voldoende objectieve grond vormden om twijfel aan verantwoord wapenbezit te rechtvaardigen.
De Afdeling stelde dat geringe twijfel aan verantwoord wapenbezit, zeker bij psychische en relationele problemen, voldoende is voor intrekking. De gevolgen voor appellant, zoals baanverlies en reputatieschade, wogen niet op tegen het belang van de veiligheid van de samenleving. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het wapenverlof is bevestigd.