ECLI:NL:RVS:2020:2939

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2020
Publicatiedatum
10 december 2020
Zaaknummer
202004880/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:115 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en terugwijzing zaak verblijfsvergunning asiel na afwijzing

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 juli 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en legde een inreisverbod op. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

In hoger beroep stelde de vreemdeling dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het risico op vogelvrijverklaring en afvalligheid van de islam bij terugkeer naar Irak niet tot bescherming zou leiden. Hij stelde dat zijn langdurige buitenhuwelijkse relatie met een Nederlandse vrouw en de niet-islamitische opvoeding van zijn kinderen ertoe leiden dat hij door de Iraakse samenleving als afvallig wordt beschouwd, wat een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro inhoudt.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank dit relevante beroepsgrond had genegeerd en daarmee in strijd had gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor herbehandeling, waarbij het oordeel van de Afdeling in acht moet worden genomen.

De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ten bedrage van €525,00.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.

Uitspraak

202004880/1/V2.
Datum uitspraak: 10 december 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 augustus 2020 in zaak nr. NL20.13602 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 28 augustus 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. de Heuvel, advocaat te Papendrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdeling in hoger beroep in de grieven 1 tot en met 8 en in het eerste deel van grief 9 heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de vogelvrijverklaring en de afvalligheid van de islam, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.    De vreemdeling heeft in grief 9 verder aangevoerd dat de rechtbank is voorbij gegaan aan het feit dat bij terugkeer in Irak sprake zal zijn van toegedichte afvalligheid van de islam. Hij heeft betoogd dat hij door zijn verwesterde levenswijze, die onder meer tot uiting komt in zijn buitenhuwelijkse relatie met een Nederlandse vrouw en hun twee kinderen die op niet-islamitische wijze worden opgevoed, door de samenleving als afvallige zal worden beschouwd. Hierdoor loopt hij een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM.
2.1    Niet is in geschil dat de vreemdeling een langdurige buitenhuwelijkse relatie heeft met een Nederlandse vrouw met een christelijke achtergrond, en dat uit die relatie in 2010 en 2011 twee kinderen zijn geboren die een niet-islamitische opvoeding krijgen. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat alleen al deze omstandigheden maken dat hem bij terugkeer in Irak zal worden toegedicht dat hij afvallig is van de islam. Door deze beroepsgrond onbesproken te laten, heeft de rechtbank in strijd gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb waarin staat dat uitspraak wordt gedaan op de grondslag van het beroepschrift. De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is gegrond. Wat de vreemdeling in grief 10 heeft aangevoerd, kan onbesproken blijven. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 augustus 2020 in zaak nr. NL20.13602;
III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Wolff
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2020
238.