ECLI:NL:RVS:2020:29
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens permanente bewoning recreatiewoning in strijd met bestemmingsplan
Appellanten zijn rechthebbende van een recreatiewoning in Zeewolde die volgens het bestemmingsplan niet voor permanente bewoning mag worden gebruikt. Het college van burgemeester en wethouders heeft hen bij besluit van 4 juli 2017 gelast de permanente bewoning uiterlijk 1 januari 2018 te beëindigen, met een dwangsom van €25.000 bij overtreding.
Na controles bleek dat appellanten de recreatiewoning nog steeds permanent gebruikten. Het college besloot daarom op 31 mei 2018 tot invordering van de dwangsom. Het bezwaar van appellanten tegen dit besluit werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank oordeelde in mei 2019 dat de dwangsom terecht was opgelegd.
In hoger beroep betoogden appellanten dat hun hoofdverblijfadres elders was geregistreerd en dat het college ten onrechte het advies van de bezwaarschriftencommissie negeerde. De Afdeling overwoog echter dat het college aannemelijk had gemaakt dat appellanten de recreatiewoning als hoofdverblijf gebruikten, mede op basis van controles en het feit dat hun andere woning werd verhuurd.
De Afdeling bevestigde dat het college niet verplicht was het advies van de commissie te volgen en dat de dwangsom terecht was opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de dwangsom van €25.000 wordt bevestigd.