ECLI:NL:RVS:2020:2823
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsleven
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 9 november 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. De vreemdeling, een 68-jarige weduwe met medische klachten woonachtig in Syrië, wilde bij haar meerderjarige zoon in Nederland verblijven. De zoon had een mvv-aanvraag ingediend op grond van artikel 8 EVRM Pro, dat het recht op gezinsleven beschermt.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris, die daarop hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat de staatssecretaris terecht had geoordeeld dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij en haar zoon tot diens vertrek uit Syrië samenwoonden en dat er meer dan normale emotionele banden bestonden. Verder was niet aannemelijk dat de zoon de enige was die zorg kon bieden, noch dat er geen alternatieve zorgmogelijkheden in Syrië waren.
De Raad verwierp ook het betoog dat de staatssecretaris de hoorplicht had geschonden en dat de Gezinsherenigingsrichtlijn anders zou moeten worden toegepast dan artikel 8 EVRM Pro. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de afwijzing van de mvv-aanvraag stand hield.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag gehandhaafd.