ECLI:NL:RVS:2020:2727
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep asielzaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 28 november 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 20 oktober 2020 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft op 18 november 2020 besloten dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, ter hoogte van €525,00, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De beslissing is genomen op basis van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter vond de belangen van de vreemdeling zwaarder wegen en achtte het noodzakelijk om de uitzetting op te schorten totdat het hoger beroep is afgerond. De uitspraak werd gedaan in het openbaar en ondertekend door de griffier, aangezien de voorzieningenrechter verhinderd was te ondertekenen.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.