ECLI:NL:RVS:2020:267
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake weigering Wob-verzoek op grond van geheimhoudingsplicht Awr
Bij brieven van december 2017 verzocht appellant de staatssecretaris van Financiën om het volledige dossier over de betrokkenheid van de Belastingdienst bij het faillissement van een bedrijf. De staatssecretaris wees dit verzoek af op grond van de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). De rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen deze afwijzing, omdat volgens vaste rechtspraak tegen besluiten op grond van artikel 67 Awr Pro geen beroep mogelijk is bij de bestuursrechter.
Appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte onbevoegd was en dat de stukken niet onder de geheimhoudingsplicht vielen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank zich inderdaad ten onrechte onbevoegd had verklaard en vernietigde de uitspraak. Vervolgens beoordeelde de Afdeling het beroep inhoudelijk en bevestigde dat de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr Pro van toepassing is en prevaleert boven de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
De Afdeling wees het beroep ongegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Hiermee werd bevestigd dat de staatssecretaris terecht het Wob-verzoek heeft afgewezen vanwege de bijzondere en uitputtende geheimhoudingsregeling van artikel 67 Awr Pro.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het Wob-verzoek afgewezen vanwege de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr.