Uitspraak
Datum uitspraak: 4 november 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem stelde de subsidie voor Iriszorg voor beschermd wonen over 2016 vast op € 1.450.672,00 en vorderde € 499.358,00 terug, omdat slechts 27 van de 33 plaatsen feitelijk waren ingevuld. Iriszorg betwistte deze verlaging en stelde dat de subsidie was verleend voor het beschikbaar houden van 33 plaatsen, niet voor de feitelijke bezetting.
De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte had aangenomen dat de subsidie afhankelijk was van de feitelijke realisatie van 33 plaatsen. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde deze uitspraak en overwoog dat het besluit tot subsidieverlening geen aanwijzingen bevatte dat de subsidie was gekoppeld aan feitelijke bezetting. De periodieke verantwoording diende om de gemeente inzicht te geven in indicaties en toewijzingen, niet als basis voor verlaging van de subsidie.
Het college kon niet aantonen dat Iriszorg op de hoogte was dat de subsidie alleen voor daadwerkelijk gerealiseerde plaatsen gold. Ook het voortraject van de overgang van de Awbz naar de Wmo 2015 bood geen grond voor het standpunt van het college. De Afdeling veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan Iriszorg en legde griffierecht op.
De uitspraak bevestigt dat subsidie voor beschermd wonen in dit geval bedoeld was om de capaciteit van 33 plaatsen beschikbaar te houden, ongeacht de feitelijke bezetting in 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.