ECLI:NL:RVS:2020:2591
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H. Troostwijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees een aanvraag van een Eritrese vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af wegens onvoldoende aannemelijkheid van haar identiteit en familierechtelijke relatie met referent. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond omdat het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en gemotiveerd, met name vanwege het ontbreken van een individuele beoordeling conform het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2019.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk een persoonsgerichte beoordeling had uitgevoerd, waarbij hij alle verklaringen en bewijsmiddelen in samenhang had beoordeeld tegen de beschikbare landeninformatie, waaronder ambtsberichten over Eritrea. Hij stelde dat de vreemdeling geen bewijsnood had aangetoond en geen substantieel bewijs van haar identiteit had overgelegd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris geen individuele beoordeling had verricht. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens werd geoordeeld dat het afzien van het horen in bezwaar door de staatssecretaris niet onrechtmatig was.
De Afdeling besloot dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij geen officiële identiteitsdocumenten kon overleggen en dat zij geen ander substantieel bewijs had overgelegd. Hierdoor was nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie niet aan de orde. De staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag blijft in stand.