ECLI:NL:RVS:2020:2516
Raad van State
- Hoger beroep
- W.D.M. van Diepenbeek
- G.M.H. Hoogvliet
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering wijziging voorschrift vloeistofkerende tankputbodem in omgevingsvergunning
De zaak betreft een hoger beroep van een inrichtinghouder tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten Utrecht om voorschrift 8.4A van de omgevingsvergunning niet te wijzigen en een nieuw lid toe te voegen dat uiterlijk 1 juli 2019 moet worden voldaan aan de verplichting tot een vloeistofkerende tankputbodem. De inrichting houdt zich bezig met de opslag van vloeibare brandstoffen in bovengrondse tanks waarvan de bodem van de tankput niet vloeistofkerend is uitgevoerd.
De inrichtinghouder betoogde dat gelijkwaardigheid was vergund in de revisievergunning van 2013, dat de situatie als bestaande zonder vloeistofkerende voorziening kwalificeert volgens PGS 29:2016 en dat het voorschrift in strijd is met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat gelijkwaardigheid niet was vergund omdat dit niet expliciet in de vergunning stond en dat de bestaande situatie moet worden uitgelegd als de vergunde situatie, dus met vloeistofkerende voorziening.
Het beroep op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel faalde omdat dit niet voldoende was geconcretiseerd en de kosten en risico’s van de voorziening niet doorslaggevend zijn bij een milieuverplichting. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college wordt bevestigd.