ECLI:NL:RVS:2020:2460
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens onjuiste toepassing glijdende schaal
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid trok op 9 februari 2017 de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van de vreemdeling in met terugwerkende kracht tot 26 januari 2012, vanwege een geweldsmisdrijf gepleegd op die datum. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze intrekking. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de toepassing van de glijdende schaal uit artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000, met name de berekening van de verblijfsduur die bepalend is voor intrekking. De rechtbank had de verblijfsduur berekend vanaf 15 maart 1995, maar de Raad van State oordeelde dat de juiste datum de datum van het misdrijf is, namelijk 26 januari 2012.
Omdat de vreemdeling op die datum ruim negenentwintig jaar rechtmatig in Nederland verbleef, is op grond van artikel 3.86, elfde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 intrekking niet toegestaan. De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten.
De overige grieven van de vreemdeling behoefden geen bespreking meer. De uitspraak bevestigt de juiste uitleg van de glijdende schaal en benadrukt het belang van correcte toepassing van verblijfsduur bij intrekking van verblijfsvergunningen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van de verblijfsduur in de glijdende schaal.