ECLI:NL:RVS:2020:246
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring bij derde asielaanvraag
De vreemdeling werd op 4 september 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld na een derde aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring gegrond en beval opheffing van de bewaring met schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat de rechtbank ten onrechte de beroepsgrond van de vreemdeling heeft betrokken bij de beoordeling van de bewaring, omdat volgens de geldende uitzonderingen op de hoofdregel het afwachten van de rechtsmiddelentermijn niet is toegestaan bij een derde of latere aanvraag na definitieve niet-ontvankelijkverklaring van een eerdere aanvraag.
De Afdeling stelde vast dat de vreemdeling op de dag van bewaring geen rechtmatig verblijf had en dat de rechtbank daarom onjuist had geoordeeld dat de bewaring op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep alsnog ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.