ECLI:NL:RVS:2020:2455

Raad van State

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
16 oktober 2020
Zaaknummer
201908533/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 DublinverordeningArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens bijzondere omstandigheden

De vreemdeling uit Syrië diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De vreemdeling stelde dat zij in Nederland moest blijven vanwege de zorg voor haar ernstig zieke zus.

De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een samenspel van bijzondere en specifieke omstandigheden die het onevenredig hard maakten om de vreemdeling over te dragen aan Frankrijk. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, met het argument dat de rechtbank ten onrechte haar eigen oordeel had gegeven over het gebruik van de bevoegdheid om de asielaanvraag aan zich te trekken.

De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en overweegt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de aanvraag aan zich te trekken. Daarbij is meegewogen dat de zus van de vreemdeling zeer ernstig ziek is en dat de korte scheidingstermijn en verklaringen van betrokkenen onvoldoende zijn meegewogen.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €525,00. De uitspraak onderstreept het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij het toepassen van de Dublinverordening in bijzondere individuele gevallen.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

201908533/1/V3.
Datum uitspraak: 16 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 november 2019 in zaak nr. NL19.25191 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 19 november 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Flantua, advocaat te Amersfoort, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    De vreemdeling komt uit Syrië. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag die zij in Nederland heeft ingediend, niet in behandeling genomen, omdat volgens hem Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is. De vreemdeling wil dat haar verzoek toch in Nederland wordt behandeld, omdat zij zorg draagt voor haar in Nederland wonende zus en haar wil steunen tijdens haar ziekte. Deze uitspraak gaat over het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een samenspel van dermate bijzondere, specifieke omstandigheden dat overdracht van de vreemdeling getuigt van onevenredige hardheid.
2.    Wat de staatssecretaris primair in zijn grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het primaire betoog geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.    Subsidiair klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte niet terughoudend heeft getoetst of hij in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag van de vreemdeling aan zich te trekken (artikel 17 van Pro de Dublinverordening (PB 2013, L 180)). Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte haar eigen oordeel in de plaats stelt van dat van hem (uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3246).
3.1.    Volgens de rechtbank is sprake van een zodanig samenspel van bijzondere, specifieke omstandigheden dat niet valt in te zien waarom de staatssecretaris geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag aan zich te trekken. Doordat de rechtbank haar eigen oordeel over het gewicht van de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden heeft gegeven, heeft zij feitelijk toepassing gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De staatssecretaris klaagt dus terecht dat de rechtbank ten onrechte niet terughoudend heeft getoetst of hij in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag van de vreemdeling aan zich te trekken. Hoewel de klacht dus terecht is voorgedragen, kan de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden.
3.2.    De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat de staatssecretaris in zijn besluit van 21 oktober 2019 niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag van de vreemdeling met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de staatssecretaris onvoldoende bij zijn belangenweging heeft betrokken dat uit de medische stukken volgt dat de zus van de vreemdeling zeer ernstig ziek is. Daarnaast heeft de rechtbank terecht bij haar oordeel betrokken dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met de korte termijn waarin de vreemdeling en haar zus waren gescheiden en met de verklaringen van de vreemdeling, haar zus en de dochters van haar zus.
3.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop zij berust. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2020
551-872.