ECLI:NL:RVS:2020:239
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij zijn partner. De staatssecretaris wees deze aanvraag op 22 november 2017 af vanwege onvoldoende middelen van bestaan van de partner. Na bezwaar en beroep verklaarden de bestuursrechter en rechtbank het besluit terecht. De vreemdeling stelde dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd omdat de verklaringen over het ontbreken van woonlasten niet waren betrokken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het besluit van 28 juni 2018 onvoldoende gemotiveerd was omdat de verklaringen van de vreemdeling en zijn partner over het ontbreken van huur- of hypotheeklasten niet waren betrokken bij de beoordeling. Hierdoor moest het besluit worden vernietigd. Vervolgens werd overwogen dat de staatssecretaris alsnog terecht stelde dat deze stelling onvoldoende was onderbouwd met stukken over het uitgavenpatroon.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.