ECLI:NL:RVS:2020:2353
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake terugkeerbesluit vreemdeling na veroordeling
Bij besluit van 19 oktober 2016 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het besluit vernietigde. De staatssecretaris stelde daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat op grond van het arrest E.P. van het Hof van Justitie van de Europese Unie een verdenking van het plegen van een strafbaar feit voldoende kan zijn om het verblijf van een vreemdeling te beëindigen. De vreemdeling was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen voor diefstal door twee of meer verenigde personen, wat als voldoende ernstig werd aangemerkt om het verblijf onmiddellijk te beëindigen.
De Afdeling verwierp het betoog van de vreemdeling dat hij geen kans had gekregen zich te laten bijstaan door een advocaat, aangezien hij vertegenwoordigd was door een gemachtigde advocaat. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de vreemdeling onvoldoende gemotiveerd betwistte dat een andere vreemdeling, die volgens hem medeverdachte was, niet langer werd verdacht en het terugkeerbesluit van die vreemdeling was ingetrokken.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.