ECLI:NL:RVS:2020:2352
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling beëindiging verblijf vreemdeling wegens verdenking ernstige strafbare feiten
Bij besluit van 16 september 2016 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde en het terugkeerbesluit vernietigde.
De staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze Afdeling heeft het hoger beroep behandeld en daarbij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2019 (E.P.) betrokken.
De Afdeling oordeelt dat een verdenking van het plegen van strafbare feiten, zoals handel en smokkel van cocaïne, witwassen en vuurwapenbezit, met hoge maximumstraffen, voldoende is om het verblijf van de vreemdeling in de vrije termijn te beëindigen. De feiten en omstandigheden rondom de aanhouding, voorlopige hechtenis en dagvaarding van de vreemdeling ondersteunen dit oordeel.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit gehandhaafd.