ECLI:NL:RVS:2020:233
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vernietiging verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de vreemdeling niet mocht worden uitgezet totdat een nieuw besluit was genomen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat de uitspraak van de rechtbank niet hoefde te worden uitgevoerd totdat het hoger beroep was beslist. De vreemdeling gaf een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had toegelicht waarom uitvoering van de uitspraak tot onherstelbare gevolgen zou leiden of een onevenredige inspanning zou vergen. Daarom werd het verzoek afgewezen als kennelijk ongegrond en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek van de staatssecretaris om een voorlopige voorziening te treffen werd afgewezen.