ECLI:NL:RVS:2020:2328
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over terugkeerbesluit vreemdeling wegens verdenking strafbare feiten
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 16 september 2016 een terugkeerbesluit genomen waarbij de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 14 februari 2017 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze toetste het hoger beroep mede aan de hand van het arrest E.P. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2019. De Raad van State oordeelde dat een verdenking van het plegen van strafbare feiten, zoals handel in cocaïne, witwassen en vuurwapenbezit, voldoende is om het verblijf van de vreemdeling in de vrije termijn te beëindigen.
De Raad van State stelde vast dat ten tijde van het terugkeerbesluit objectieve en nauwkeurige elementen aanwezig waren die de verdenking van strafbare feiten rechtvaardigden. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.