ECLI:NL:RVS:2020:2138
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over afwijzing verblijfsvergunning asiel Eritrese vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 augustus 2019 de aanvraag van een Eritrese vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gedeeltelijk gegrond verklaarde en het besluit vernietigde met de opdracht tot een nieuw besluit.
Zowel de staatssecretaris als de vreemdeling gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond is, mede op basis van een eerdere uitspraak van 29 januari 2020 waarin de positie van Eritrese vreemdelingen werd toegelicht.
Het hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard omdat zijn grieven geen vragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
In het hoger beroep werd ook besproken dat het terugkeerbesluit tegen de vreemdeling nog steeds geldig is, ondanks dat de staatssecretaris nu aanneemt dat de vreemdeling de Eritrese nationaliteit bezit. De verplichting tot terugkeer is herleefd en kan worden uitgevoerd naar het land van herkomst of een ander derde land. Het beroep van de vreemdeling op strijdigheid met de systematiek van artikel 45 Vw Pro 2000 faalde eveneens.
De Afdeling besloot dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden en sprak het vonnis uit op 9 september 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.