ECLI:NL:RVS:2020:2060
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep visum voor kort verblijf afgewezen door staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum voor kort verblijf door de minister. De aanvraag werd op 12 juli 2019 afgewezen, waarna de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 7 november 2019 het bezwaar van de vreemdeling ongegrond verklaarde. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, verklaarde op 26 juni 2020 het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling, vertegenwoordigd door advocaat J.N. Dankoor, heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 26 augustus 2020 uitspraak gedaan. De rechtbank had geoordeeld dat er geen hoger beroep mogelijk was tegen de afwijzing van het visum voor een kort verblijf van drie maanden of minder, zoals bepaald in artikel 84 van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling voerde in hoger beroep aan dat er redenen waren om het hoger beroep toch in behandeling te nemen, maar de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van een eerlijk proces, waardoor het verbod op hoger beroep niet doorbroken kon worden.
De Afdeling verklaarde zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en besliste dat de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 26 augustus 2020.