ECLI:NL:RVS:2020:196
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor niet naleven inburgeringsplicht ondanks persoonlijke omstandigheden
Het college heeft appellant een boete opgelegd wegens het niet voldoen aan de inburgeringsplicht zoals gesteld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering. Appellant betoogde dat zij voldoende inspanningen had verricht om het inburgeringsexamen te behalen, ondanks haar persoonlijke omstandigheden als alleenstaande moeder met meerdere kinderen en problemen rondom leerplicht.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende inspanningen had geleverd, onder meer omdat zij zich wel inschreef voor het examen maar nooit verscheen en na 2011 geen pogingen meer deed. Ook reageerde zij niet op uitnodigingen voor gesprekken over haar inburgering. De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar onmogelijk was het examen af te leggen.
Verder voerde appellant aan dat de boete haar financiële draagkracht te boven gaat. Dit is niet met stukken onderbouwd, waardoor ook dit verweer faalt. De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €1.000 voor het niet voldoen aan de inburgeringsplicht en verklaart het hoger beroep ongegrond.