ECLI:NL:RVS:2020:1900

Raad van State

Datum uitspraak
7 augustus 2020
Publicatiedatum
10 augustus 2020
Zaaknummer
202004091/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 5 augustus 2019 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 21 juli 2020 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep was beslist en hij opvang en verstrekkingen zou ontvangen. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat op basis van de aangevoerde argumenten niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd.

Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is bepaald dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter H. Troostwijk, in aanwezigheid van griffier H. Vonk, op 7 augustus 2020.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting en inreisverbod wordt afgewezen.

Uitspraak

202004091/2/V3.
Datum uitspraak: 7 augustus 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 juli 2020 in zaak nr. NL19.18846 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 21 juli 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
3.    Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Vonk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2020
345-945.