ECLI:NL:RVS:2020:1813
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit omgevingsvergunning voor kappen bomen wegens onvoldoende zorgvuldigheid
Het college van burgemeester en wethouders van Breda verleende op 19 januari 2018 een omgevingsvergunning aan een vergunninghouder voor het kappen van acht bomen op een locatie te Breda. De vergunning betrof het verleggen van de ontsluiting van het perceel, waarvoor houtgewas moest worden verwijderd. Na bezwaar verklaarde het college op 7 februari 2019 het besluit in stand met aanvullende voorwaarden, waaronder een inplantplicht om natuurwaarden te beschermen.
Milieuvereniging Oosterhout stelde zich op het standpunt dat de inplantplicht onvolledig en onduidelijk was en dat het college onvoldoende rekening had gehouden met een erfdienstbaarheid die het verwijderen van het bestaande pad belemmerde. De rechtbank verklaarde het beroep van de vereniging ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders.
De Afdeling stelde vast dat het college onvoldoende heeft onderkend wat de gevolgen van de erfdienstbaarheid zijn voor de uitvoering van de inplantplicht en daarmee voor de bescherming van de natuurwaarden. Dit betekent dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit op bezwaar vernietigd. Het college moet een nieuw besluit nemen en wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid in de beoordeling van de inplantplicht en erfdienstbaarheid.