ECLI:NL:RVS:2020:181
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing extra uren rechtsbijstand bij terugvordering persoonsgebonden budget
Bij besluit van 4 december 2017 wees de raad voor rechtsbijstand een aanvraag af om extra uren rechtsbijstand voor een hogerberoepsprocedure over de terugvordering van een persoonsgebonden budget. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was gebleken van bijzondere rechtsvragen of een juridisch relevant feitencomplex waardoor de zaak niet binnen de forfaitaire 24 uren kon worden behandeld. Dit besluit werd in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de hogerberoepsprocedure op 28 februari 2018 was beëindigd en geen nadelige gevolgen waren gebleken.
Appellante stelde dat de werkzaamheden na 28 februari 2018 vielen onder een eerder toegekende toevoeging en dat het niet toekennen van extra uren haar onterecht van adequate rechtshulp beroofde. De Afdeling oordeelde dat appellante wel belang had bij inhoudelijke behandeling en vernietigde het vonnis van de rechtbank. Vervolgens werd beoordeeld of de raad de afwijzing van de aanvraag redelijk had genomen.
De Afdeling overwoog dat de raad beoordelingsruimte heeft bij de toekenning van extra uren en dat de zaak niet feitelijk of juridisch complex was. De vermeende samenloop van drie rechtsgebieden en vermeend frauduleus handelen door de zorgverlener leverden geen bijzondere rechtsvragen op. Ook het taalprobleem van appellante maakte de zaak arbeidsintensief maar niet complex. De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de raad tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor extra uren rechtsbijstand terecht afgewezen.