ECLI:NL:RVS:2020:1748
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vergunning voor bouwen berging op onbebouwd perceel ondanks strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk verleende een omgevingsvergunning voor het bouwen van een berging/schuilhut op een perceel aan de Reeuwijkse Plassen, dat deels uit een eiland bestaat en de bestemming 'Natuur - Extensieve recreatie' heeft. Deze vergunning was in strijd met het bestemmingsplan, maar werd verleend met toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.
Een naastgelegen bewoner, appellant, maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant voerde aan dat het college onbevoegd was de afwijkingsbevoegdheid toe te passen omdat het perceel niet op de lijst met onbebouwde percelen stond en de oppervlakte minder dan 300 m² bedroeg. De Afdeling oordeelde dat bijlage 6 van het bestemmingsplan geen juridisch bindend onderdeel is en dat het perceel wel als onbebouwd perceel moet worden aangemerkt volgens de planregels. De oppervlakte mocht worden vastgesteld aan de hand van de Grootschalige Basiskaart Nederland uit 2012, zoals in het bestemmingsplan is bepaald.
De Afdeling concludeerde dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor het bouwen van de berging blijft van kracht.