Uitspraak
Datum uitspraak: 22 juli 2020
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Weert verleende op 25 juli 2018 een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een inrit vanaf het terrein van Horne Quartier naar de Ambachtenhof. Het terrein is deels in gebruik als asielzoekerscentrum en bevat meerdere bedrijven. De inrit overschrijdt de maximale toegestane breedte volgens het bestemmingsplan en vereiste daarom een vergunning.
Diverse appellanten maakten bezwaar tegen het besluit, onder meer vanwege vermeende strijd met de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), onvoldoende motivering van de noodzaak van de inrit en bezwaren omtrent verkeersveiligheid. De rechtbank verklaarde de bezwaren van enkele appellanten niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en oordeelde dat het college niet verplicht was de APV te betrekken bij de vergunningverlening.
In hoger beroep stelde de Afdeling bestuursrechtspraak vast dat de appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij gevolgen van enige betekenis ondervinden van de inrit. De Afdeling bevestigde dat strijd met de APV geen grond is voor weigering van de omgevingsvergunning. Het onderzoeksrapport van adviesbureau Kragten, waarop het college zich baseerde, werd als voldoende onderbouwing van de verkeersveiligheid geaccepteerd. Ook de noodzaak van de inrit voor betere bereikbaarheid en verkeersafwikkeling werd voldoende gemotiveerd geacht.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning voor de aanleg van de inrit wordt bevestigd.