ECLI:NL:RVS:2020:1688

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2020
Publicatiedatum
16 juli 2020
Zaaknummer
202003525/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling proceskostenvergoeding bij vreemdelingenbewaring na vernietiging gedeeltelijke uitspraak rechtbank

De vreemdeling werd bij besluit van 4 juni 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen deze maatregel stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 17 juni 2020 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat hoewel de rechtbank terecht het beroep ongegrond verklaarde, zij onterecht de staatssecretaris niet veroordeelde tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt. De Afdeling vernietigde daarom dit deel van de uitspraak en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten ad € 1.575,00.

De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd. Hiermee werd de vreemdeling alsnog schadeloos gesteld voor de proceskosten die hij in het beroep en hoger beroep had gemaakt, ondanks dat het beroep zelf ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.575,00 aan de vreemdeling.

Uitspraak

202003525/1/V3.
Datum uitspraak: 22 juli 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 juni 2020 in zaak nr. NL20.12076 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 17 juni 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.T.V. Le, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdeling in de eerste grief heeft aangevoerd leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris in het traject voorafgaand aan de inbewaringstelling onvoldoende heeft gedaan om de verdedigingsbelangen van de vreemdeling te waarborgen. Niettemin heeft zij het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond verklaard. De vreemdeling klaagt in de tweede grief terecht dat de rechtbank in dit geval aanleiding had moeten zien de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1498).
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de staatssecretaris daarin niet is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van het beroep van de vreemdeling. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 juni 2020 in zaak nr. NL20.12076, voor zover de rechtbank de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet heeft veroordeeld tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;
III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2020
595.