ECLI:NL:RVS:2020:1625

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2020
Publicatiedatum
13 juli 2020
Zaaknummer
202001214/3/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Rechters
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:45 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot beperkte kennisneming van vertrouwelijke stukken in hoger beroep

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De minister van Buitenlandse Zaken heeft op verzoek van de Afdeling bestuursrechtspraak vertrouwelijke stukken overgelegd die betrekking hebben op een individueel ambtsbericht over appellant. De minister verzocht op grond van artikel 8:29, derde lid, Awb, dat alleen de Afdeling kennis zou mogen nemen van deze stukken.

De Afdeling moest een belangenafweging maken tussen het belang van appellant om over alle relevante informatie te beschikken en het belang van bescherming van de bronnen, onderzoeksmethoden en het algemeen belang. De Afdeling oordeelde dat de bescherming van de geraadpleegde bronnen en gebruikte onderzoekstechnieken zwaarder weegt dan het belang van appellant om kennis te nemen van de stukken.

Daarom werd het verzoek van de minister toegewezen en is besloten dat alleen de Afdeling kennis mag nemen van de vertrouwelijke stukken. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige geheimhoudingskamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 juli 2020.

Uitkomst: Het verzoek tot beperkte kennisneming van vertrouwelijke stukken wordt toegewezen; alleen de Afdeling bestuursrechtspraak mag kennis nemen van deze stukken.

Uitspraak

202001214/3/V6.
Datum beslissing: 15 juli 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2020 in zaak nr. 18/2181 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2020 in zaak nr. 18/2181.
De minister heeft, op verzoek van de Afdeling krachtens artikel 8:45 van Pro de Awb, de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft de aan het individueel ambtsbericht betreffende [appellant] van 31 augustus 2016 ten grondslag liggende stukken:
-    een memorandum van het Cluster Ambtsberichten en Terugkeer (CAT) aan de Chef de Poste van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden (AKN) te Kigali;
-    een onderzoeksverslag van de AKN te Kigali van 12 juni 2016;
-    een e-mailwisseling tussen CAT en de AKN te Kigali van 3-5 augustus 2016.
Overwegingen
1.    De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen.
2.    Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3.    Naar het oordeel van de Afdeling weegt de bescherming van de geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken zwaarder dan het belang dat [appellant] kennis neemt van de stukken.
4.    De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe;
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2020
488.