ECLI:NL:RVS:2020:1566
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking Nederlanderschap
Bij besluit van 28 februari 2018 heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap van verzoeker ingetrokken. Verzoeker vordert een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van dit besluit te schorsen totdat op het beroep tegen het besluit van 7 april 2020 is beslist.
Verzoeker stelt dat hij door de intrekking geen rechtmatig verblijf meer heeft en daardoor niet kan werken. Hij betoogt dat zijn belangen zwaarder wegen dan het belang van de staatssecretaris bij uitzetting, mede vanwege de lange duur van de procedure van ruim tweeëneenhalf jaar.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verlies van rechtmatig verblijf niet het gevolg is van de intrekking van het Nederlanderschap, maar van een apart besluit over de verblijfsvergunning, dat niet in deze procedure aan de orde is. Verzoeker heeft geen spoedeisend belang aangetoond dat schorsing rechtvaardigt. Het verzoek wordt daarom afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de intrekking van het Nederlanderschap wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.