ECLI:NL:RVS:2020:1477
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- G.M.H. Hoogvliet
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning voor bedrijfsbijgebouw in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Bergen weigerde een omgevingsvergunning voor het gedeeltelijk slopen van een bestaand gebouw en het oprichten van een nieuw bedrijfsbijgebouw op een perceel dat grenst aan het perceel van de appellant. De grond waarop het bedrijfsbijgebouw zou komen, heeft volgens het bestemmingsplan de bestemming "Erf" met subbestemming "bedrijfserf detailhandel". Het college stelde dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat het bedrijfsbijgebouw niet dienstbaar is aan het hoofdgebouw op het perceel met bestemming "Detailhandel", maar aan het hoofdgebouw op het perceel met bestemming "Woondoeleinden".
De rechtbank verklaarde het beroep van de appellant ongegrond, en de Raad van State bevestigde deze uitspraak. De Afdeling overwoog dat het bouwplan vanwege de massa en maatvoering niet als een bijgebouw kan worden aangemerkt en dat het bedrijfsbijgebouw niet dienstbaar is aan het hoofdgebouw. Tevens oordeelde de Afdeling dat het bouwplan in strijd is met artikel 15 van Pro het bestemmingsplan.
Verder stelde de appellant dat de omgevingsvergunning van rechtswege was verleend omdat het college niet binnen de beslistermijn had beslist. De Afdeling oordeelde dat op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is en dat geen vergunning van rechtswege is ontstaan. De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was de vergunning te weigeren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd.