ECLI:NL:RVS:2020:1472
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken gronden na last onder dwangsom
Het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten legde op 11 april 2018 aan appellant een last onder dwangsom op. Appellant maakte bij brief van 23 mei 2018 bezwaar, maar vermeldde daarin geen gronden. Het college stelde appellant vervolgens in de gelegenheid om binnen twee weken de gronden in te dienen, maar appellant maakte hier geen gebruik van. Daarom verklaarde het college het bezwaar op 15 augustus 2018 niet-ontvankelijk.
Appellant stelde dat hij al eerder bezwaar had gemaakt en dat hij meer tijd had moeten krijgen om de gronden in te dienen. Deze stellingen werden verworpen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt nu de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Afdeling overweegt dat de termijn van twee weken redelijk was, mede omdat appellant al eerder gelegenheid had gehad om zienswijzen kenbaar te maken. Ook faalde appellant in het tijdig verzoeken van uitstel. Het beroep van appellant op disproportionaliteit en rechtsongelijkheid wordt verworpen omdat de situatie niet vergelijkbaar is met eerdere jurisprudentie en appellant dit niet heeft onderbouwd.
De Afdeling concludeert dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.