ECLI:NL:RVS:2020:147
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 1 november 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag heeft op 4 december 2019 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De vreemdeling heeft schriftelijk gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen omdat de uitspraak van de rechtbank niet inhoudt dat de staatssecretaris verplicht is de mvv te verlenen en de uitvoering van de uitspraak geen onherstelbare gevolgen heeft. Tevens is van belang dat uitvoering geen onevenredige inspanning vergt. De staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.