ECLI:NL:RVS:2020:1454
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 november 2017 de aanvraag van een Eritrese vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 18 maart 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat zij nareis wilde doen bij haar pleegvader, de referent, die haar sinds 2004 verzorgde. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de pleegrelatie niet aannemelijk was. De staatssecretaris voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het bewijs onvoldoende was gemotiveerd, onder meer omdat de verklaringen over de biologische moeder en de gezinsband onvoldoende concreet waren.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht had gewezen op inconsistenties in de verklaringen en het ontbreken van bewijsstukken die de pleegrelatie aannemelijk maken. De detentie van de referent maakte geen verschil omdat de pleegrelatie vóór die periode niet was aangetoond. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Ook het besluit van 5 maart 2020 werd vernietigd omdat dit was gebaseerd op de vernietigde uitspraak.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.