ECLI:NL:RVS:2020:1437
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over afwijzing verzoek uitstel uitzetting vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 mei 2018 het verzoek van de vreemdeling af om uitzetting achterwege te laten op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het bezwaar gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde. Dit incidenteel hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was ingediend en de vreemdeling geen redenen had aangevoerd om dit te rechtvaardigen.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond was en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift bevatte geen relevante vragen voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De staatssecretaris werd geen proceskosten toegekend, maar moest wel griffierecht betalen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.