ECLI:NL:RVS:2020:1419
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- J.J. van Eck
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergoeding rechtsbijstand in asielprocedures volgens artikel 5a Bvr
De zaak betreft het hoger beroep van een rechtsbijstandverlener tegen de vaststelling van vergoedingen door de raad voor rechtsbijstand voor verleende bijstand in asielprocedures. De raad had de vergoedingen vastgesteld op basis van artikel 5a van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), waarbij een forfaitair aantal punten werd toegekend voor de algemene asielprocedure en de overgang naar de verlengde asielprocedure.
De rechtbank had geoordeeld dat artikel 5a een uitputtende regeling vormt voor de vergoeding in asielprocedures en dat geen aanvullende vergoeding op grond van artikel 7 Bvr Pro toekomt, ook al had de rechtsbijstandverlener meerdere gehoren bijgewoond. De rechtsbijstandverlener stelde in hoger beroep dat artikel 7 Bvr Pro wel van toepassing is voor tweede en volgende gehoren, maar de Raad van State oordeelde dat artikel 5a een zelfstandige maximale vergoedingsnorm bevat die afwijkt van artikel 5 en Pro daarmee ook van artikel 7.
De Raad van State bevestigde dat het forfaitaire systeem van artikel 5a bedoeld is om een redelijke vergoeding te bieden die aansluit bij de inspanningen, en dat aanvullende vergoeding alleen mogelijk is bij een verzoek om extra uren boven 24 uur. De Raad verwierp het beroep en bevestigde de eerdere uitspraak dat de vergoedingen terecht zijn vastgesteld zonder toepassing van artikel 7 Bvr Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding is terecht vastgesteld volgens artikel 5a Bvr zonder toepassing van artikel 7 Bvr.