ECLI:NL:RVS:2020:1388

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2020
Publicatiedatum
17 juni 2020
Zaaknummer
201903002/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis zussen

De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van referent tegen de afwijzing van machtigingen tot voorlopig verblijf voor zijn gestelde zussen gegrond verklaarde.

De staatssecretaris had de aanvragen afgewezen omdat de identiteit van de zussen niet aannemelijk was gemaakt en beoordeelde de aanvragen op grond van artikel 8 EVRM Pro in plaats van de nareisregeling. De rechtbank oordeelde echter dat de aanvragen in het kader van nareis waren ingediend en dat de staatssecretaris ten onrechte geen DNA-onderzoek had aangeboden om de familierelatie te bevestigen.

De Raad van State bevestigt dat de staatssecretaris de aanvragen terecht als familie- of gezinsleden op grond van artikel 8 EVRM Pro heeft beoordeeld, maar erkent dat het ontbreken van DNA-onderzoek een onrechtmatigheid vormt. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bekrachtigd en het besluit van 31 juli 2019 wordt vernietigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van 31 juli 2019 tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd vanwege het ontbreken van DNA-onderzoek.

Uitspraak

201903002/1/V1.
Datum uitspraak: 17 juni 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 28 maart 2019 in zaak nr. 18/6005 in het geding tussen:
[referent]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2017 heeft de minister van Veiligheid en Justitie aanvragen van referent om zijn gestelde zussen (hierna: de vreemdelingen) een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 juli 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door referent ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 juli 2018 vernietigd. De rechtbank heeft de staatssecretaris opgedragen binnen tien weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Referent, vertegenwoordigd door mr. E. Maalsen, advocaat te Nijmegen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 31 juli 2019 heeft de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Referent heeft een nader stuk ingediend.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.    De twee ten tijde van het indienen van de aanvraag minderjarige vreemdelingen beogen in het kader van nareis verblijf bij referent, naar gesteld hun broer en voogd, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvragen onder meer afgewezen omdat referent de identiteit van zijn gestelde zussen niet aannemelijk heeft gemaakt.
2.    De rechtbank heeft overwogen dat het besluit op bezwaar niet in stand kan blijven omdat daar een gebrek aan kleeft. De staatssecretaris heeft de aanvragen volgens de rechtbank ten onrechte uitsluitend beoordeeld aan de hand van de vereisten voor verblijf in het kader van uitoefening van familie- of gezinsleven krachtens artikel 8 van Pro het EVRM. Uit de aanvraagformulieren blijkt namelijk dat referent de aanvragen heeft ingediend in het kader van de nareisregeling, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft verder overwogen dat de staatssecretaris in het besluit op bezwaar niet langer lijkt te betwisten dat de vreemdelingen de zussen van referent zijn.
2.1.    De staatssecretaris voert in de eerste grief terecht aan, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat referent bij e-mail van 14 juli 2017 ondubbelzinnig heeft verklaard dat de staatssecretaris de aanvragen kan behandelen als aanvragen voor verblijf als familie- of gezinslid als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De staatssecretaris heeft de aanvragen dan ook terecht niet beoordeeld aan de hand van de vereisten voor nareis.
2.2.    In de tweede grief betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit op bezwaar niet langer lijkt te betwisten dat de vreemdelingen de zussen van referent zijn. De staatssecretaris heeft zich zowel in het besluit op bezwaar als in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat referent de identiteit van de vreemdelingen niet aannemelijk heeft gemaakt.
2.3.    Hoewel de staatssecretaris de eerste twee grieven terecht heeft voorgedragen, kunnen deze niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat de staatssecretaris de vreemdelingen gelet op werkinstructie 2014/9 ten onrechte geen DNA-onderzoek naar de gestelde familierelatie heeft aangeboden. Met het enkele betoog dat de vreemdelingen hun identiteit niet aannemelijk hebben gemaakt, heeft de staatssecretaris die overweging van de rechtbank niet succesvol bestreden. Het oordeel van de rechtbank is daarmee in zoverre in rechte komen vast te staan.
3.    Wat de staatssecretaris in grieven 3 en 4 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt met verbetering van gronden bevestigd. De staatssecretaris heeft op 31 juli 2019 een nieuw besluit op bezwaar genomen dat niet tegemoet komt aan het bezwaar. Referent heeft daarom voldoende belang bij een beoordeling van dit besluit, zodat het hoger beroep wordt geacht mede daartegen gericht te zijn (artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb). De Afdeling beoordeelt daarom dit beroep.
5.    Uit rechtsoverweging 2.3 van deze uitspraak volgt dat referent terecht betoogt dat de staatssecretaris de vreemdelingen in aanloop naar het besluit van 31 juli 2019 ten onrechte geen DNA-onderzoek naar de gestelde familierelatie heeft aangeboden.
6.    Het beroep is alleen al daarom gegrond. Het is niet nodig om wat referent verder heeft aangevoerd te bespreken. Het besluit van 31 juli 2019 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2019, V-nummers […], […] en […], gegrond;
III.    vernietigt dat besluit;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij referent in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Sevenster    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020
488-941.