ECLI:NL:RVS:2020:1384
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wegens strafrechtelijke veroordelingen tweede-generatie vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 16 augustus 2018 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken vanwege diens strafrechtelijke veroordelingen, waaronder een zware mishandeling met de dood tot gevolg en meerdere andere veroordelingen die de norm van 14 maanden gevangenisstraf overschrijden.
De rechtbank Den Haag oordeelde dat de intrekking niet mogelijk was omdat de vreemdeling onder de bescherming van artikel 21, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 valt, waardoor de intrekking van de vergunning beperkt zou zijn. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat deze bescherming slechts geldt voor de verlening van de vergunning en niet voor de intrekking, zeker niet bij veroordelingen na het verkrijgen van de vergunning.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de intrekking heeft beperkt op grond van artikel 21, vierde lid, en bevestigt dat deze bepaling niet ziet op de intrekking van de vergunning na het plegen van nieuwe delicten. Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling van overige beroepsgronden.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, waarna de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.