ECLI:NL:RVS:2020:1208
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
Bij besluit van 31 januari 2018 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat bij besluit van 14 mei 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen in het vonnis.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming dienen. De Raad van State constateerde dat het door de rechtbank vastgestelde motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek eenvoudig kan worden hersteld.
Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 13 mei 2020.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.