ECLI:NL:RVS:2020:1197

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2020
Publicatiedatum
6 mei 2020
Zaaknummer
201900215/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 85 Vw 2000Artikel 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag vervanging verblijfsdocument en afwijzing schadevergoeding wegens redelijke termijnoverschrijding

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 september 2016 de aanvraag van de vreemdeling om zijn verblijfsdocument te vervangen af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 6 januari 2017 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroep werden nieuwe grieven ingediend, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard omdat ze buiten de termijn waren ingediend. De overige grieven leidden niet tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, omdat deze geen vragen bevatten van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De vreemdeling verzocht tevens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling oordeelde dat de totale procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep niet langer dan vier jaar had geduurd, zodat geen sprake was van overschrijding. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.

De Afdeling bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.

Uitspraak

201900215/1/V3.
Datum uitspraak: 6 mei 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 december 2018 in zaak nr. 17/2690 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om zijn verblijfsdocument te vervangen, afgewezen.
Bij besluit van 6 januari 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft het hoger beroep aangevuld.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft in de aanvulling van het hoger beroep een aantal nieuwe grieven aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank. Deze aanvulling is niet binnen de voor het instellen van hoger beroep gestelde termijn ingediend. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over de aanvulling van het hoger beroep (artikel 85 van Pro de Vw 2000).
2.    Wat de vreemdeling in de punten 6 tot en met 8 van het hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze punten geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.    De vreemdeling heeft in punt 10 van het hoger beroep verzocht om schadevergoeding toe te kennen vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
3.1.    De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van 29 januari  2014, ECLI:NL:RVS:2014:188).
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2562) vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.
3.2.    Als pas bij de Afdeling een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, wordt de vraag of de redelijke termijn is overschreden beoordeeld naar de stand van de zaak op het moment van de uitspraak van de Afdeling, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen.
4.    De staatssecretaris heeft het door de vreemdeling gemaakte bezwaar op 20 oktober 2016 ontvangen. Tot aan de uitspraak van de Afdeling van vandaag heeft de procedure drie jaar, zes maanden en zestien dagen geduurd. Dat betekent dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift tot aan de uitspraak van de Afdeling van vandaag geen vier jaren zijn verstreken.
Daarom is de redelijke termijn niet overschreden en moet het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.
5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Sevenster    w.g. Van Laar
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2020
347.