ECLI:NL:RVS:2020:1196

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2020
Publicatiedatum
6 mei 2020
Zaaknummer
202000375/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 Vw 2000Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over beëindiging opvang vreemdeling wegens medische noodsituatie

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) had de verstrekkingen aan een vreemdeling beëindigd op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het besluit vernietigde omdat zonder opvang de voortzetting van zijn behandeling in een vertrouwde setting zou worden gestaakt, wat een acute medische noodsituatie zou veroorzaken.

Het COa ging in hoger beroep bij de Raad van State en betoogde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de behandeling zou moeten worden gestaakt. Het COa wees erop dat de behandeling niet in het asielzoekerscentrum plaatsvindt, maar dat de vreemdeling daarvoor reist naar een behandelcentrum. Tevens stelde het COa dat de vreemdeling ook na beëindiging van de opvang aanspraak kan maken op medisch noodzakelijke zorg volgens artikel 10 Vreemdelingenwet Pro 2000.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had onderbouwd dat de behandeling zou moeten worden gestaakt door het beëindigen van de opvang. Het hoger beroep van het COa werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van het COa wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Uitspraak

202000375/1/V1.
Datum uitspraak: 6 mei 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 december 2019 in zaak nr. 16/8089 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
het COa.
Procesverloop
Bij besluit van 22 maart 2016 heeft het COa de verstrekkingen van de vreemdeling krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 beëindigd.
Bij uitspraak van 20 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W. Eikelboom, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zonder opvang de voortzetting van de behandeling in het Psychotraumacentrum Zuid-Nederland (hierna: het centrum), een voor de vreemdeling veilige en vertrouwde setting, moet worden gestaakt, waardoor een acute medische noodsituatie zal ontstaan, zodat het COa hem opvang moet verlenen zolang zijn gezondheidssituatie niet wezenlijk verbetert voordat hij is uitgezet.
2.    Het COa klaagt in beide grieven dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen. Volgens het COa heeft zij dit niet kunnen baseren op door de vreemdeling overgelegde brieven van zijn behandelaars bij Equator van 7 oktober 2015 en 15 juni 2016, een brief van zijn behandelaars bij het centrum van 28 (lees: 25) juli 2017, en een advies van het Bureau Medische Advisering van 15 februari 2019.
2.1.    In voormelde brief van 25 juli 2017, waaruit de rechtbank uitvoerig heeft geciteerd, staat dat het centrum een voor de vreemdeling veilige en vertrouwde behandelsetting is, die beschermend werkt, en het van zeer groot belang is dat de beschreven behandeling zonder onderbrekingen daar wordt voorgezet. Hieruit noch uit de andere in overweging 2 genoemde stukken volgt dat door de beëindiging van de opvang ook de behandeling in het centrum moet worden gestaakt. In dit kader wijst het COa er terecht op dat de behandeling niet in een AZC plaatsvindt maar dat de vreemdeling daarvoor vanuit het asielzoekerscentrum in Almere naar de behandellocatie van het centrum in Den Bosch reist. Verder wijst COa erop dat de vreemdeling, hoewel zijn verblijf hier te lande is beëindigd, op grond van artikel 10 Vw Pro 2000 ook na beëindiging van de opvang aanspraak zal kunnen maken op medisch noodzakelijke zorg, om te voorkomen dat een medische noodtoestand ontstaat. Uit het BMA-advies volgt dat hij naar zijn land van herkomst kan worden verwijderd mits daar overdracht aan een psychiater plaatsvindt.
De grieven slagen.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 20 december 2019 in zaak nr. 16/8089;
III.    verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2020
32-862.