ECLI:NL:RVS:2020:1191
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning voor kampeerterrein ondanks bezwaren omwonenden
Het college van burgemeester en wethouders van Kollumerland c.a. verleende op 10 juni 2016 een omgevingsvergunning aan een vergunninghouder voor het gebruik van een perceel als camperplaats, in afwijking van het bestemmingsplan. De vergunninghouder wilde het perceel ook gebruiken als kampeerterrein voor vijf campers, waarvoor een aanvullende vergunning werd gevraagd. Omwonenden, waaronder appellant en anderen, maakten bezwaar en stelden dat de vergunning in strijd was met artikel 6.5 van de planregels en de Nota ruimtelijk beleid buitengebied Kollumerland 2010-2020.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het collegebesluit. In hoger beroep voerden appellant en anderen aan dat de vergunning onrechtmatig was omdat de campers het landschap zouden aantasten en het kampeerterrein te klein zou zijn volgens de Nota. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de landschappelijke kenmerken niet onevenredig werden aangetast, mede door de versterking van elzensingels en aanplant van heggen en bomen.
Verder oordeelde de Afdeling dat de omvangseis uit de Nota niet strikt betekent dat bij vijf camperplaatsen een terrein van minimaal 0,5 hectare vereist is. Het college had aannemelijk gemaakt dat het perceel van 2.315 m2 voldoende was voor de beoogde kampeerplaatsen zonder strijd met een goede ruimtelijke ordening. De bezwaren faalden en het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarbij de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De omgevingsvergunning voor het kampeerterrein wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.