ECLI:NL:RVS:2020:1143
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf en verwijzing naar nieuwe beslissing
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 november 2017 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat bij besluit van 24 juli 2018 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit eveneens ongegrond op 18 juni 2019. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk had gemotiveerd, met name ten aanzien van de beoordeling of de gezinsband was verbroken en de toepassing van het nareisbeleid. De Afdeling vernietigde daarom zowel de uitspraak van de rechtbank als het bestreden besluit van 24 juli 2018. Tevens werd het hoger beroep van de vreemdeling gegrond verklaard.
De staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij hij de afgelegde verklaringen en overgelegde documenten inhoudelijk moet beoordelen aan de hand van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn. Indien doorverwijzing naar de reguliere procedure plaatsvindt, moet duidelijk worden gemaakt dat de inhoudelijke beoordeling in die procedure zal plaatsvinden. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is vernietigd en de zaak is terugverwezen voor een nieuwe beoordeling.