ECLI:NL:RVS:2020:1133
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verzoek uitstel uitzetting vreemdeling
De vreemdeling had bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek ingediend om op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft. Dit verzoek werd bij besluit van 9 februari 2018 afgewezen. Tegen dit besluit maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 19 juni 2019 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 26 februari 2020 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling constateerde dat het hoger beroep zich niet richtte tegen de inhoudelijke uitspraak van de rechtbank, omdat de vreemdeling niet had toegelicht waarom de uitspraak onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 22 april 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd beroepschrift.