ECLI:NL:RVS:2020:1089
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf na bezwaar en beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 8 december 2016 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, stelde de staatssecretaris hoger beroep in. De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Raad bevestigt dat de staatssecretaris in het bestreden besluit geen bewijsnood aannam omtrent de identiteit van de vreemdeling, maar ook geen standpunt innam over bewijsnood met betrekking tot het gestelde huwelijk. De vreemdeling stelde dat de staatssecretaris hiermee in strijd handelde met de Brummen-jurisprudentie en beginselen van behoorlijk bestuur, maar dit werd verworpen omdat de staatssecretaris in hoger beroep is gegaan en een nader gemotiveerd standpunt heeft ingenomen.
De Raad verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. Tevens wordt een griffierecht geheven. De uitspraak werd gedaan op 22 april 2020 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.