ECLI:NL:RVS:2019:997
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tot opheffing vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 16 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze maatregel bij de rechtbank Den Haag, die op 1 maart 2019 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Tegen deze uitspraak werd hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel. De voorzieningenrechter overwoog dat gezien de termijnen van artikel 5 EVRM Pro en de stand van de procedure het belang van de vreemdeling bij opheffing zwaarder weegt dan het belang van de staatssecretaris bij voortzetting van de bewaring.
Daarom werd bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven, voor zover de staatssecretaris dit nog niet had gedaan. De beslissing omtrent eventuele schadevergoeding wordt in de bodemprocedure genomen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel is per direct opgeheven en de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.