ECLI:NL:RVS:2019:918
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling in hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 september 2018 het verzoek van de vreemdeling af om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 27 november 2018 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag op 27 februari 2019 het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens moet de staatssecretaris de proceskosten van de vreemdeling vergoeden tot een bedrag van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan op 26 maart 2019 door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos, in aanwezigheid van griffier S. Duyster. De beslissing volgt op eerdere uitspraken en verzoeken in de procedure en bevestigt het belang van het voorkomen van uitzetting gedurende de behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.